Expositie

Het Verbeterhuis (2025)

Met Het Verbeterhuis presenteerde Régis Gonçalves een nieuw hoofdstuk in zijn onderzoek naar vergeten geschiedenissen. De tentoonstelling ontstond naar aanleiding van 750 jaar Amsterdam en begon met een ogenschijnlijk eenvoudig gegeven: het uit Brazilië afkomstige pau brasil-hout dat in het zeventiende-eeuwse Rasphuis werd verwerkt door gevangenen. Het hout dat bekend staat om zijn dieprode kleurstof, werd daar fijngeraspt als onderdeel van een zogenaamd heropvoedingsprogramma.

Het Rasphuis was bedoeld om jonge mannen die als crimineel waren bestempeld een vak te leren, zodat ze na hun straf konden terugkeren in de samenleving. Maar Régis stuitte tijdens zijn onderzoek op een andere groep gevangenen die weinig met heropvoeding te maken had. Mannen die verdacht werden van homoseksueel gedrag, in die tijd aangeduid als sodomie, werden opgesloten en soms levenslang vastgehouden. Eén van hen was Jan Wissing, ook bekend als Wisser, die in 1764 werd opgepakt na beschuldigingen van masturbatie. Hij belandde in de kelder van het Rasphuis, de zogeheten Secrete Plaats, en stierf daar in 1781.

In deze kelder, afgescheiden van de rest, werden mannen opgeborgen die als moreel gevaarlijk werden beschouwd. Ze waren onzichtbaar voor het publiek en voor de andere gevangenen. De tekst boven de ingang van het Rasphuis, “Wilde Beesten Moet Men Temmen”, klinkt in deze context extra wrang. De tentoonstelling laat zien hoe snel iemand als ongewenst kon worden gezien en afgezonderd.

In Het Verbeterhuis wordt de geschiedenis bijna tastbaar. De tentoonstelling voelt als een wandeling door de gangen van het Rasphuis, waar het stille systeem van uitsluiting en straf nog hoorbaar lijkt. Régis Gonçalves zet de bezoeker stil bij hoe een stad haar normen bepaalt en wie daar wel of juist niet binnen valt.